[0:00]21 21 21 Small Talk 2 Small talk, deel twee. Small talk, twee. Where do you come from? Waar komt u vandaan? Waar komt u vandaan? From Basel. Uit Bazel. Uit Bazel. Basel is in Switzerland. Bazel ligt in Zwitserland. Bazel ligt in Zwitserland.
[0:46]May I introduce Mr. Miller? Mag ik u de heer Müller voorstellen? Mag ik u de heer Müller voorstellen? He is a foreigner. Hij is buitenlander. Hij is buitenlander.
[1:06]He speaks several languages. Hij spreekt meerdere talen. Hij spreekt meerdere talen.
[1:17]Are you here for the first time? Bent u voor de eerste keer hier? Bent u voor de eerste keer hier? No, I was here once last year. Nee, ik was vorig jaar ook al hier. Nee, ik was vorig jaar ook al hier. Only for a week, though. Maar slechts één week. Maar slechts één week. How do you like it here? Hoe bevalt het u bij ons? Hoe bevalt het u bij ons? A lot. The people are nice. Zeer goed. De mensen zijn vriendelijk. Zeer goed. De mensen zijn vriendelijk. And I like the scenery, too. En het landschap bevalt me ook. En het landschap bevalt me ook. What is your profession? Wat bent u van beroep? Wat bent u van beroep? I am a translator. Ik ben vertaler. Ik ben vertaler. I translate books. Ik vertaal boeken. Ik vertaal boeken.
[2:51]Are you alone here? Bent u hier alleen? Bent u hier alleen? No, my husband is also here. Nee, mijn vrouw is ook hier. Nee, mijn man is ook hier. And those are my two children. En daar zijn mijn twee kinderen. En daar zijn mijn twee kinderen. 22 22 22 Small Talk 3 Small talk deel 3. Small talk 3.
[3:40]Do you smoke? Rookt u? Rookt u? I used to. Vroeger wel. Vroeger wel. But I don't smoke anymore. Maar nu rook ik niet meer. Maar nu rook ik niet meer.
[4:06]Does it disturb you if I smoke? Stoort het u als ik rook? Stoort het u als ik rook? No, absolutely not. Nee, absoluut niet. Nee, absoluut niet. It doesn't disturb me. Dat stoort mij niet. Dat stoort mij niet.
[4:37]Will you drink something? Drinkt u iets? Drinkt u iets?
[4:46]A brandy? Een cognac? Een cognac? No, preferably a beer. Nee, liever een biertje. Nee, liever een biertje.
[5:04]Do you travel a lot? Reist u veel? Reist u veel? Yes, mostly on business trips. Ja, meestal zijn dat zakenreizen. Ja, meestal zijn dat zakenreizen. But now we're on holiday. Maar nu zijn we hier met vakantie. Maar nu zijn we hier met vakantie. It's so hot! Wat een hitte! Wat een hitte! Yes, today it's really hot. Ja, vandaag is het echt heet. Ja, vandaag is het echt heet. Let's go to the balcony. Laten we naar het balkon gaan. Laten we naar het balkon gaan.
[6:11]There's a party here tomorrow. Morgen is hier een feestje. Morgen is hier een feestje. Are you also coming? Komt u ook? Komt u ook? Yes, we've also been invited.
[6:36]Ja, we zijn ook uitgenodigd. Ja, we zijn ook uitgenodigd. 23 23 23 Learning foreign languages Vreemde talen leren Vreemde talen leren Where did you learn Spanish? Waar heeft u Spaans geleerd? Waar heeft u Spaans geleerd? Can you also speak Portuguese? Kunt u ook Portugees spreken? Kunt u ook Portugees spreken? Yes, and I also speak some Italian. Ja, en ik kan ook wat Italiaans. Ja, en ik kan ook wat Italiaans. I think you speak very well. Ik vind dat u zeer goed spreekt. Ik vind dat u zeer goed spreekt. The languages are quite similar. De talen lijken op elkaar. De talen lijken op elkaar. I can understand them well. Ik kan ze goed verstaan. Ik kan ze goed verstaan. But speaking and writing is difficult. Maar spreken en schrijven is moeilijk. Maar spreken en schrijven is moeilijk. I still make many mistakes. Ik maak nog veel fouten. Ik maak nog veel fouten. Please correct me each time. Wilt u mij alstublieft corrigeren? Wilt u mij alstublieft corrigeren? Your pronunciation is very good. Uw accent is ook zeer goed. Uw accent is ook zeer goed. You only have a slight accent. U heeft een licht accent. U heeft een licht accent. One can tell where you come from. Men hoort waar u vandaan komt. Men hoort waar u vandaan komt.
[9:12]What is your native language? Wat is uw moedertaal? Wat is uw moedertaal? Are you taking a language course? Bent u een taalcursus aan het volgen? Bent u een taalcursus aan het volgen? Which textbook are you using? Welk lesmateriaal gebruikt u? Welk lesmateriaal gebruikt u?
[9:43]I don't remember the name right now. Ik weet zo direct niet hoe het heet. Ik weet zo direct niet hoe het heet. The title is not coming to me. De titel schiet me niet te binnen. De titel schiet me niet te binnen. I've forgotten it. Ik ben het vergeten. Ik ben het vergeten. 24 24 24 Appointment Afspraak Afspraak
[10:27]Did you miss the bus? Heb je de bus gemist? Heb je de bus gemist? I waited for you for half an hour. Ik heb een half uur op je gewacht. Ik heb een half uur op je gewacht. Don't you have a mobile phone with you? Heb je geen mobiele telefoon bij je? Heb je geen mobiele telefoon bij je? Be punctual next time! Wees volgende keer op tijd! Wees volgende keer op tijd! Take a taxi next time! Neem de volgende keer een taxi! Neem de volgende keer een taxi! Take an umbrella with you next time! Neem de volgende keer een paraplu mee! Neem de volgende keer een paraplu mee! I have the day off tomorrow. Morgen ben ik vrij. Morgen ben ik vrij. Shall we meet tomorrow? Zullen we morgen afspreken? Zullen we morgen afspreken? I'm sorry, I can't make it tomorrow. Het spijt me, maar morgen lukt me niet. Het spijt me, maar morgen lukt me niet.
[12:07]Do you already have plans for this weekend? Heb je al plannen voor dit weekend? Heb je al plannen voor dit weekend? Or do you already have an appointment? Of heb je al iets afgesproken? Of heb je al iets afgesproken? I suggest that we meet on the weekend. Ik stel voor dat we in het weekend afspreken. Ik stel voor dat we in het weekend afspreken. Shall we have a picnic? Zullen we gaan picknicken? Zullen we gaan picknicken? Shall we go to the beach? Zullen we naar het strand gaan? Zullen we naar het strand gaan? Shall we go to the mountains? Zullen we naar de bergen gaan? Zullen we naar de bergen gaan?
[13:16]I will pick you up at the office. Ik kom je op kantoor ophalen. Ik kom je op kantoor ophalen. I will pick you up at home. Ik kom je thuis ophalen. Ik kom je thuis ophalen. I will pick you up at the bus stop. Ik kom je op de bushalte ophalen. Ik kom je op de bushalte ophalen. 25 25 25 In the city In de stad In de stad
[14:06]I would like to go to the station. Ik wil graag naar het station. Ik wil graag naar het station. I would like to go to the airport. Ik wil graag naar de luchthaven. Ik wil graag naar de luchthaven. I would like to go to the city centre. Ik wil graag naar het centrum van de stad. Ik wil graag naar het centrum van de stad. How do I get to the station? Hoe kom ik bij het station? Hoe kom ik bij het station? How do I get to the airport? Hoe kom ik bij de luchthaven? Hoe kom ik bij de luchthaven? How do I get to the city centre? Hoe kom ik in het centrum van de stad? Hoe kom ik in het centrum van de stad? I need a taxi. Ik heb een taxi nodig. Ik heb een taxi nodig. I need a city map. Ik heb een plattegrond nodig. Ik heb een plattegrond nodig. I need a hotel. Ik heb een hotel nodig. Ik heb een hotel nodig.
[15:40]I would like to rent a car. Ik wil graag een auto huren. Ik wil graag een auto huren. Here is my credit card. Hier is mijn creditcard. Hier is mijn creditcard. Here is my license. Hier is mijn rijbewijs. Hier is mijn rijbewijs. What is there to see in the city? Wat is er in de stad te zien? Wat is er in de stad te zien? Go to the old city. Ga naar de oude binnenstad. Ga naar de oude binnenstad. Go on a city tour. Maak een stadsrondrit. Maak een stadsrondrit. Go to the harbor. Ga naar de haven. Ga naar de haven. Go on a harbor tour. Maak een rondvaart in de haven. Maak een rondvaart in de haven. Are there any other places of interest? Welke andere bezienswaardigheden zijn er behalve deze? Welke andere bezienswaardigheden zijn er behalve deze?



