[0:01]Dit filmpje gaat over tijdvak 7, de tijd van pruiken en revoluties die in de 18e eeuw valt. Dit is het laatste tijdvak van de periode van de vroegmoderne tijd. De kenmerkende aspecten die bij dit tijdvak horen zijn: rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen. Het voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse wijze verlicht vorm te geven, oftewel het verlicht absolutisme. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap, en de uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme. We beginnen met het kenmerkende aspecten over de uitbouw van de Europese overheersing, maar laten daarbij het stukje over abolitionisme nog even achterwege. Dat behandelen we namelijk bij het kenmerkende aspect over de verlichting. Het ontstaan van de trans-Atlantische slavenhandel is terug te voeren op de ontdekking en kolonisatie van de Amerika's in tijdvak 5. Door de massale kolonisatie van Amerika door Europese kolonisten na de ontdekking van dit continent door Columbus, stierf het overgrote deel van de oorspronkelijke bewoners van Amerika door het geweld van de Europese veroveraars, maar vooral ook door de ziektes die zij met zich meebrachten. De massale sterfte van de zogenaamde indianen leverde een probleem op in de vorm van het tekort aan arbeidskrachten om mijnen en landbouwplantages in Amerika te kunnen exploiteren. Het blanke bestuur van deze ondernemingen bestond uit een relatief kleine groep Europese kolonisten die voor het werk in de mijnen en het bewerken in de plantages arbeidskrachten nodig hadden die bestand waren tegen dit zware werk. Deze arbeidskrachten vonden zij in de vorm van slaven die vanuit West-Afrika aangevoerd werden en die in Amerika op de slavenmarkten werden verkocht. Als gevolg van deze behoefte aan arbeidskrachten ontstond de trans-Atlantische slavenhandel die ook wel driehoekshandel wordt genoemd. De handelsstromen die deel uitmaken van dit systeem vormen namelijk een driehoek over de Atlantische Oceaan, waarbij wapens, textiel etc. vanuit Europa naar West-Afrika werden getransporteerd om ze daar te ruilen voor slaven. Deze slaven werden vervolgens naar Amerika gebracht om ze daar te verkopen op de slavenmarkten. De producten die op de slavenplantages in Amerika werden verbouwd, werden vervolgens weer ingeladen om ze te kunnen verkopen op de Europese markt. Zo konden de Europeanen in deze tijd op relatief grote schaal tabak gaan roken, katoenen kleding dragen en suiker in hun thee gebruiken. De slaven die in West-Afrika werden ingekocht waren over het algemeen al voor zij in handen van de Europeanen kwamen tot slaaf gemaakt. Zij werden gekocht van Afrikaanse slavenhandelaren, die bijvoorbeeld krijgsgevangenen hadden gemaakt in hun strijd tegen de naburige stam en zo een slaatje probeerden te slaan uit de buit die zij daarbij hadden gemaakt. Ook kwam het voor dat gestrafte mensen als slaaf werden verkocht of dat iemand door de eigen familie werd verkocht. Slavenhandel bestond al lang voordat de trans-Atlantische slavenhandel op gang kwam, maar de schaal waarop dit gebeurde werd zeker in dit tijdvak als gevolg van de enorme vraag in Amerika enorm uitgebreid.
[3:40]Door veel mensen werd slavernij in dit tijdvak acceptabel gevonden. Op grond van bijbelse theorieën over zonen van Noah meenden zij dat de bevolking van Afrika inferieur was aan de blanke Europese bevolking, omdat de Afrikanen afstamden van Noah's zoon Ham, die het zwarte schaap van de familie was. Bovendien meenden zij nobele motieven te dienen met het in dienst nemen van slaven, omdat zij op deze manier de Afrikanen konden kerstenen en zo het christendom uitbreiden. Economisch gezien zaten de Europeanen naar verloop van tijd bovendien zo vast aan de slavernij dat het afschaffen ervan nauwelijks meer haalbaar was als serieuze optie. De slaven vertegenwoordigden immers een enorme hoeveelheid kapitaal die niet zomaar afgeschreven kon worden. Ook de Nederlanders in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden speelde een rol in deze slavenhandel, hoewel het hoogtepunt van de Nederlandse slavenhandel eigenlijk al in de 17e eeuw en dus in tijdvak 6 ligt. In de tweede helft van die eeuw had Nederland enkele decennia het grootste aandeel in de toenmalige slavenhandel doordat de Nederlandse kooplieden zich intensief bezighielden met het verhandelen van slaven. Het uiteindelijke aandeel van de Nederlanders in de slavernij bedraagt zo'n 5% van het totaal, maar vele Nederlanders hadden direct of indirect iets met de slavernij te maken. Na lange discussies werd de slavernij in het Nederlandse Rijk in 1863 afgeschaft en op het kaartje hier rechts kun je zien hoeveel mensen in Amsterdam op dat moment gecompenseerd werden voor het verlies van hun slaven. Hieruit blijkt wel dat in een stad als Amsterdam weliswaar geen slaven werden gehouden, maar dat veel burgers wel investeringen hadden gedaan in slavenplantages in Nederlandse koloniën als Suriname. De visie op de slavernij veranderde in dit tijdvak gaandeweg, onder andere onder invloed van het volgende kenmerkende aspect. Dat gaat over rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving, oftewel de verlichting. De verlichting was een stroming in de 18e eeuw van denkers die meenden dat mensen meer gebruik moesten maken van de rede en dat dit zou bijdragen aan de vooruitgang van de samenleving. De verlichters meenden dat mensen eeuwig in het overdrachtelijk bedoelde donker van bijgeloof en geloof hadden geleefd en dat zij nu hun eigen verstand zouden moeten gaan gebruiken. In plaats van met oogkleppen op dat te geloven wat hen verteld werd, moesten mensen zoals het ware het licht in een donkere kamer aandoen om met hun eigen ogen te kunnen zien hoe de wereld in elkaar zat. Deze nieuwe rationalistische denkwijze was in feite een oude denktrant die op een nieuw terrein werd toegepast. Ook bij het nieuwe mens- en wereldbeeld en het begin van de nieuwe wetenschappelijke belangstelling uit tijdvak 5 hebben we immers gezien dat rationalistische denkwijze naar terrein winnen en hetzelfde geldt voor de wetenschappelijke revolutie uit tijdvak 6. Daarbij gingen wetenschappers hun verstand gebruiken om de wereld te onderzoeken en deden zij grote ontdekkingen op het gebied van onder andere de geneeskunde, de natuurkunde en de astronomie. Bij dit lijstje van kenmerkende aspecten die gaan over rationalistisch denken voegt zich in dit tijdvak dus het rationeel optimisme of verlicht denken dat ditmaal niet meer alleen werd toegepast op klassieke wetenschapsterreinen, maar juist op de samenleving als geheel. Bij wetenschappelijk en rationeel denken is een kritische denkhouding onmisbaar. Daarbij moet de onderzoeker zich continu afvragen of de kennis die hij of zij heeft wel klopt en of veronderstellingen getest kunnen worden door onderzoek te doen en feiten boven tafel te krijgen. Voor de verlichters betekende dit dat zij gingen nadenken over de samenleving en over de vraag of de manier waarop deze op dat moment georganiseerd was wel klopte. Was voor alles wat er om hen heen gebeurde en voor de manier waarop de mensen met elkaar omgingen wel een redelijke grond? Het kenmerkende aspect spreekt echter niet alleen van rationalisme, maar ook van optimisme. Dit komt omdat de verlichters zeer optimistisch waren over wat zij dachten te kunnen bereiken als iedereen maar zijn verstand ging gebruiken. Zij geloofden dat de samenleving maakbaar is en dat je door mensen bij te sturen dus een samenleving kan bereiken die optimaal georganiseerd is. Dit betekende ook dat de verlichters veel nadruk legden op het belang van opvoeding en onderwijs. Als je mensen al van jongs af aan bijbracht dat ze hun eigen verstand moesten gebruiken om de natuurwetten van de wereld te leren kennen, zouden ze vanzelf betere mensen worden. Volgens de verlichters zijn de mensen van nature goed en is het de omgeving die ervoor zorgt dat zij slechte dingen doen. En als je die omgeving verandert, kun je er dus ook voor zorgen dat ze de goede dingen gaan doen. Al met al leidde dit tot boeken over opvoeding en onderwijs die ervan uitgingen dat kinderen vooral hun eigen ontwikkeling moesten volgen en hun eigen verstand aan moesten scherpen. Op het gebied van de politiek meenden de verlichters dat er geen rationele gronden waren om de ene persoon boven de andere te stellen en dat het volk dus de macht zou moeten hebben. Dat noem je volkssouvereiniteit. Omdat de verlichters ook wel inzagen dat het met de grote hoeveelheid mensen in een land een chaos zal worden als je echt het hele volk liet regeren, bedachten zij verschillende manieren om ervoor te zorgen dat het volk op zijn minst invloed zou behouden in de politiek en te voorkomen dat één iemand alle macht zou kunnen krijgen. Deze praktische uitwerkingen zijn bijvoorbeeld te zien in het trias politica van Montesquieu. Montesquieu onderscheidde drie machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende en meende dat deze machten verdeeld zouden moeten worden over verschillende personen en instellingen om te voorkomen dat één iemand alle macht zou kunnen krijgen.
[9:13]Degene die de wet bedenkt, mag ze volgens de trias politica immers niet zelf uitvoeren en degene die ze uitvoert, mag niet zelf bepalen op welke wijze dat gebeurt, omdat de rechtsprekende macht gaat over het goed uitvoeren van wetten. Een ander idee dat probeert om een theoretische onderbouwing te geven voor de macht van het volk is het idee van het sociaal contract. Volgens het sociaal contract kan er wel een leider zijn, maar heeft deze leider als het ware een contract gesloten met het volk dat hij in hun naam mag regeren. Dit betekende dat de koning van een land niet zomaar kan doen wat hij zelf goeddunkt, maar dat hij regeert met een van het volk gekregen bevoegdheid en dat hij door datzelfde volk ook ter verantwoording geroepen kan worden met betrekking tot zijn uitvoering van die bevoegdheden. Verlichters die hun kritische blik op de economie wierpen, kwamen tot de conclusie dat mensen het hardst werken als ze voor zichzelf werken. In zo'n situatie is het immers rationeel gedrag om harder te gaan werken, aangezien je er dan ook zelf de vruchten van plukt. Dat bracht hem tot een economisch model met weinig overheidsbemoeienis en waarin ondernemers en het hebben van privébezit gestimuleerd worden. In zo'n vrije markteconomie kan ieder individu immers door zelf hard te werken rijkdom vergaren zonder daarbij belemmerd te worden en dus zou dit, volgens de verlichters, tot de hardst werkende mensen en de meeste rijkdom moeten leiden. Deze ideeën vormen de basis van het liberalisme dat ook tegenwoordig nog een rol speelt in de economie en de politiek. Net zoals de verlichters geen rationele grond konden vinden voor machtsverschillen tussen mensen, konden zij dat ook niet voor sociale verhoudingen. Zij kwamen tot de conclusie dat er geen biologische verschillen zijn tussen verschillende mensen en dat alle mensen dus gelijk zijn. Dat betekent ook dat ze allemaal vrij moeten zijn, want er is immers geen enkele reden om de een de ander te laten overheersen. Het zijn allemaal mensen. Deze ideeën werden onder andere op gepikt door de beweging die de slavernij wilde afschaffen en vormden een inspiratiebron voor het abolitionisme. De strijd voor het afschaffen in het Engels, to abolish van de slavernij. Ook op het gebied van de godsdienst propageerden de verlichters gelijkheid en in dit geval kwam dat vooral tot uiting in hun opvatting dat het geloof geen rol zou moeten spelen in het publieke leven. Het ene geloof is niet beter dan het andere en geen enkel geloof zou dus mogen overheersen. Het geloof is volgens de verlichters een persoonlijke zaak die alleen de gelovige zelf aangaat en dus geen rol zou moeten spelen in de politiek of andere publieke domeinen.
[11:44]Wat ze echter wel logisch konden beredeneren was dat er een moment moest zijn geweest waarop de wereld met al haar inwoners en natuurwetten geschapen was. Zij meenden daarom dat er ooit wel zoiets als een scheppende God moest zijn geweest, maar dat deze zich nu niet meer met de wereld bemoeide. De huidige wereld werd geleid door de natuurwetten die de loop van de dingen bepaalden en zij vergeleken God daarom wel met een klokkenmaker, die immers ook een klok met haar hele binnenwerk maakt en bepaalt hoe deze zal gaan lopen, maar die als de klok eenmaal af is, zich niet meer hoeft te bemoeien met het heen en weer gaan van de slinger of het draaien van de raderen. Deze verlichtingsideeën werden gedurende een langere periode verspreid over een relatief grote groep mensen. De verlichting was een breed gedragen beweging die in een heel scala aan verspreidingsmethode kende. Op de eerste plaats waren daar de brieven van verlichtingsfilosofen onderling en met andere geïnteresseerden en de boeken en tijdschriften waarin zij hun ideeën kenbaar maakten. Ook een romans en theaterstukken druppelden de verlichtingsideeën door en door verlichte ideeën in de plots van dergelijke stukken te verwerken, maakte een groot publiek er kennis mee. Zij zagen bijvoorbeeld in het theater een stuk over een slavin die in opstand kwam tegen haar baas omdat hij haar onmenselijk behandelde. Ook in de discussies die in salons, koffiehuizen en genootschappen werden gevoerd, vierden de verlichtingsideeën hoogtij. Op grond van de nieuwe ideeën over gelijkheid was iedereen met een scherpe geest en een duidelijk idee welkom en werden de waarde van allerlei ideeën daar uitgebreid bediscussieerd. De politieke ideeën van de verlichters kregen uiteindelijk ook vat op de daadwerkelijke politieke verhoudingen in dit tijdvak. Het kenmerkende aspect dat betrekking heeft op het voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse wijze verlicht vorm te geven, laat zien dat ook koningen kennis namen van de verlichtingsideeën en deze soms probeerden te verwerken in hun bestuur. Met het Ancien Régime bedoelen we letterlijk 'de oude orde', de tijd waarin sprake was van absolutisme en een standenmaatschappij. Beide onderdelen van de oude orde passen niet bij de verlichtingsideeën en komen in deze eeuw dus gaandeweg onder druk te staan. De absolute macht van een koning die meende dat hij niemand verantwoording schuldig was werd immers door de verlichters onderuit gehaald met hun ideeën over volkssouvereiniteit en de standenmaatschappij strookte op geen enkele manier met de nieuwe ideeën over gelijkheid. Sommige vorsten waren geïnteresseerd in de verlichting en gingen enkele van deze ideeën in hun bestuur verwerken. Zij legden contacten met wetenschappers en filosofen, voerden met hen gesprekken over hun ideeën en waren geneigd hier een positief oordeel over te vellen. Op basis van deze nieuwe kennis voerden ze daarom hervormingen in die gericht waren op het welzijn van hun burgers en de gelijkheid onder hen vergrootten. Een goed voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld het invoeren van een eerlijke rechtspraak waarin elke burger op dezelfde manier beoordeeld werd, ongeacht rang of afkomst, maar ook andere zaken als het aanleggen van betere wegen of het invoeren van godsdienstvrijheid passen bij de handelingen van een verlichte vorst. Deze vorsten hadden een totaal andere opvatting van het koningschap dan een eeuw eerder. Zij zagen zichzelf niet langer meer als een door God aangewezen absolute machthebber, maar veel eerder als een eerste dienaar van de staat, die goed voor zijn volk moest zorgen. Deze zorgzaamheid is goed terug te zien in het zogenaamde aardappelbevel dat Frederik de Grote van Pruisen, een vorst in Duitsland uitvaardigde. Frederik had gehoord dat aardappels een gemakkelijk te verbouwen en voedzaam gewas waren en meende er goed aan te doen zijn onderdanen te stimuleren aardappels te gaan verbouwen. Dat zou er immers voor zorgen dat zij in de toekomst beter gevoed konden worden en was dus in hun belang. Frederiks onderdanen waren echter onbekend met de aardappel als voedsel en verzetten zich tegen het bevel om deze te gaan verbouwen. Op dat moment liet Frederik zien toch ook nog een echte absolute vorsten zijn, want hij dwong zijn onderdanen toch het bevel uit te voeren. Het aardappelbevel laat goed de twee kanten van het verlicht absolute koningschap zien die vrijwel altijd doorschemeren in de acties van deze vorsten. De vorst voert weliswaar in dienst van het volk verlichte hervormingen in, maar dwingt daarbij wel gehoorzaamheid van het volk af. Dat de koning zijn taak opvat als zijnde in dienst van het volk vertegenwoordigd daarbij natuurlijk de verlichte invloed, terwijl de dwang nog goed past bij de absolute trekjes van koningen. Bij het laatste kenmerkende aspect krijgen we opnieuw te maken met koningen die hun handelen aan zullen moeten passen aan de nieuwe verlichte ideeën. In dit geval gaat dat echter wat minder goed schiks, want er vinden democratische revoluties plaats in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap. Als het gaat over de politieke gevolgen van de invloed van de verspreiding van de verlichtingsideeën, zie je goed dat het hierbij twee kanten op kan. Of de koning worden verlicht absoluut vorst en voer hervormingen in waardoor het volk tevreden is blijft, zoals bij het vorige kenmerkende aspect hebben gezien, of de oude orde blijft bestaan waardoor het volk ontevreden is wordt en uiteindelijk in opstand komt. De Europeanen die als kolonisten naar Amerika waren gegaan, zochten daar vrijheid op allerlei gebieden die zij in Europa niet konden vinden, omdat zij daar ten prooi vielen aan absolute koningen die hoge belastingen eisten. Ook in Amerika kregen zij echter meer en meer te maken met de Engelse koning George III die macht over hen uitoefende, terwijl zij geen eigen vertegenwoordiging in het bestuur hadden. Bovendien werd hun economische vrijheid ingeperkt door regels die bepaalden dat zij verplicht Engelse producten moesten kopen en moesten zij hoge belastingen opbrengen om de Engelse oorlogsactiviteiten te kunnen financieren. Ook zij waren op de hoogte van de verlichtingsideeën en meenden dat de manier waarop zij bestuurd werden niet strookte met het idee van volkssouvereiniteit. Zij waren dus ontevreden en protesteerden met de leus no taxation without representation, waarmee zij aangaven geen belasting meer te willen betalen als zij niet gehoord werden in het Engelse bestuur. Hun ontevredenheid kwam tot een uitbarsting toen in 1773 werd bepaald dat er alleen nog maar Engelse thee gekocht moest worden in Amerika. De Engelsen probeerden op deze manier van de overvloed aan thee die de Britse East India Company uit India haalde af te komen, maar voor de inwoners van Amerika betekende het dat zij hun eigen aandeel in de theehandel kwijtraakten. Zij kwamen daartegen in opstand door verkleed als Indianen een Engels schip in de haven van Boston te bestormen en de kisten met Engelse thee die zich daarop bevonden overboord te gooien. De Engelse overheid reageerde hierop met harde strafmaatregelen en het afsluiten van de haven van Boston, wat grote economische schade toebracht. De ontevredenheid onder de Amerikaanse kolonisten liep steeds hoger op totdat in 1775 uiteindelijk een schot gelost werd en hun verzet uitmondde in de Amerikaanse revolutie. Deze revolutie kan gezien worden als een onafhankelijkheidsoorlog die de Amerikanen wonnen dankzij het thuisvoordeel, maar vooral ook dankzij de steun van de Fransen. De Fransen steunden de Amerikanen in hun strijd tegen de Britten, omdat ook zij baat hadden bij een uiteengevallen zwakker Engeland dat een veel minder sterke concurrent voor de Fransen zal vormen. Op 4 juli 1776 liepen de gebeurtenissen in de Amerikaanse Revolutie zo hoog op dat de Amerikaanse kolonisten zichzelf met de onafhankelijkheidsverklaring onafhankelijk verklaarde van de Engelse koning en de rechten en vrijheden van hun eigen bevolking vastlegden. De nieuwe Amerikaanse staatsvorm werd een federale republiek met een Constitution waarin de trias politica in de praktijk werd gebracht. De drie machten werden in deze staatsinrichting gescheiden en door middel van checks en balances in het systeem moest voorkomen worden dat één van hen de overhand zou kunnen krijgen. In de Bill of Rights werden vervolgens de grondwettelijke rechten van alle Amerikanen vastgelegd, zoals vrijheid van meningsuiting, rechtsbescherming en het recht op wapenbezit. Deze rechten golden echter wel alleen voor blanke mannen, terwijl de van Afrikanen afstammende slaven zo'n vijfde van de bevolking vormden. De Franse steunen de Amerikaanse revolutie had samen met het glamoureuze leven van de Franse koning Lodewijk XVI aan het hof in Versailles, de Franse schatkist uitgeput. De enige oplossing die er nog voor kon zorgen dat Frankrijk enige solvabiliteit behield was het verhogen van de belastingen. In de Franse standensamenleving was het echter zo geregeld dat juist het rijke adellijke deel van de bevolking grotendeels was vrijgesteld van de belastingen en haar tijd verdeed aan het Franse hof in Versailles, terwijl de smalle schouders van de Franse boeren uit de derde stand de zwaarste lasten droegen. Deze derde stand kon met geen mogelijkheid nog meer belasting opbrengen en dus zat er niets anders op dan een voorstel te doen waarbij ook de eerste twee standen, de adel en de geestelijkheid, belasting zouden moeten gaan betalen. Dat voorstel stuitte echter op hevig verzet van de twee standen die vonden dat zij op grond van hun al lang geldende voorrechten niet zomaar gevraagd konden worden meer belasting te gaan betalen. De pogingen die de Franse regering vervolgens ondernam om de problemen op te lossen, brachten de spanningen in de samenleving echter alleen maar meer aan het licht. De zogenaamde Cahiers de doléances, die het volk in mochten dienen, stonden vol van de grieven van de derde stand die eisten dat iedereen belasting ging betalen en dat er meer gelijkheid kwam in de Franse samenleving, terwijl het bijeenroepen van de Staten-Generaal, zoals we hierna zullen zien, uitliep op een fiasco. De pogingen de problemen op te lossen brachten de onvrede onder het volk uiteindelijk dus alleen maar aan de oppervlakte. Omdat de eerste en tweede stand weigerden meer belasting te betalen zonder dat zij daar zelf inspraak in hadden, riep de koning een vergadering van de standen, de Staten-Generaal bij elkaar. Zo'n vergadering had al meer dan een eeuw niet meer plaatsgevonden, omdat de Franse koningen immers meenden dat zij aan niemand verantwoording schuldig waren, maar nu kon hij simpelweg niet meer anders. De derde stand had geëist dat zij als verreweg de grootste groep met meer vertegenwoordigers naar de vergadering mochten komen, maar werden ter plaatse onaangenaam verrast door de stemming die per stand en niet per hoofd zou worden gehouden. Dat betekende dat de eerste en tweede stand ieder goed voor één stem, samen altijd een meerderheid zouden kunnen behalen, omdat ook de grote groep die bij de derde stand hoorde gezamenlijk slechts één stem mocht uitbrengen. Uit woede over deze gang van zaken liep de derde stand weg van de vergadering en riepen zij zichzelf uit op een nabijgelegen kaatsbaan uit tot de nationale vergadering. Zij beloofden elkaar niet eerder uit elkaar te gaan dan op het moment dat er een grondwet zou zijn die hen liberté, egalité en fraternité zou bezorgen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap werden de leus van de Franse Revolutie en deze was, zelfs verder geen uitleg behoeft, uiteraard hevig geïnspireerd op de verlichtingsidealen. Na het sluiten van de zogenaamde eed op de kaatsbaan ging het snel. Op 4 juli 1789 bestormde het woedende volk de oude gevangenis de Bastille, omdat zij onterecht meende dat daarin veel gevangenen werden gehouden door de koning. Een golf van geweld van boeren en burgers tegen mensen die van oudsher een hogere positie en meer rijkdom hadden volgde en in de nacht van de offers werden een maand later alle voorrechten en vrijheden van de bovenlaag van de bevolking afgeschaft. Voortaan was iedereen op gelijke gronden burger. Wat de rechten en plichten van die burgers precies waren, werd op 26 augustus van hetzelfde jaar vastgelegd in de verklaring van de rechten en plichten van de mens en burger, waarin werd vastgelegd dat alle mensen vrij en gelijk waren. Twee jaar later was er een grondwet klaar waarin de staatsinrichting van het nieuwe Frankrijk vastgelegd was en werd Lodewijk XVI, die eerst geprobeerd had te vluchten, gedwongen deze nieuwe grondwet te ondertekenen. Hoewel velen tevreden waren nu de macht van de koning was ingeperkt, meende de radicale revolutionairen dat dit niet ver genoeg ging en daarom schafte zij op 10 september 1792 de monarchie af om in januari 1793 de koning uiteindelijk zelfs te executeren. Hij werd onder de guillotine onthoofd. Ondertussen woede er veel discussies over de weg voorwaarts. De zogenaamde Feuillants waren tevreden met de huidige status en wilden die slechts behouden, terwijl de gematigde Girondijnen de macht van de koning nog wel verder in wilden perken, maar verder gelukkig waren met de nieuwe liberale wetten. Een groep radicale revolutionairen die we kennen als de Jacobijnen, greep echter de macht onder leiding van Maximilien Robespierre en gingen een schrikbewind voeren dat bekend staat als de terreur. Tijdens deze periode werd iedereen die er ook maar verdacht werd anti-revolutionaire sympathieën te koesteren, onthoofd en werden grote hoeveelheden mensen onder de guillotine gelegd. Zelfs de gematigde revolutionairen moesten nu vrezen voor hun leven en velen van hen vonden hun einde onder de guillotine. Uiteindelijk joeg dit schrikbewind echter zoveel tegen zich in het harnas dat Robespierre zelf onder de guillotine terechtkwam en er een gematigd bestuur van 500 directeuren werd aangesteld dat bekend staat als het directoraat en dat af moest rekenen met de revolutionaire geweldenaars. Ondertussen was in het Franse leger de ster van legergeneraal Napoleon Bonaparte rijzende. In 1799 deed hij een staatsgreep waarna hijzelf consul werd en een einde maakte aan de revolutionaire onrust. Zijn vervolgstap was de keizerskroning in 1804, waarmee hij zichzelf tot absolute leider van het nieuwe Franse keizerrijk maakte, tot stille opluchting van het volk dat na al het revolutionaire geweld snakte naar rust. Als succesvolle keizer veroverde Napoleon grote delen van Europa en voerde hij in zijn veroverde gebied actief een revolutionair bewind. Hij gedroeg zich daarbij als een verlichte spoet die weliswaar vele verlichte hervormingen invoerde, maar deze wel met harde hand afdwong. Ondertussen kwamen de legers van verschillende landen in het geweer tegen veldheer Napoleon en dit resulteerde erin dat hij in 1814 in eerste instantie werd verslagen door een coalitie van Oostenrijk, het Duitse Pruisen en Engeland. De afgezette keizer werd vervolgens verbannen naar het eiland Elba, waar hij echter wist ontsnappen. Opnieuw wist Napoleon 100 dagen lang een leger achter zich te krijgen totdat hij in 1815 uiteindelijk bij het Belgische Waterloo werd verslagen om vervolgens verbannen te worden naar het ver van de kust gelegen eiland Sint Helena. De Franse revolutie veroorzaakte een schokgolf in en had grote gevolgen voor Europa dat na het verslaan van Napoleon nooit meer hetzelfde zou worden. Aan het begin van de revolutie vluchten vele rijke edelen uit angst voor de woede van het volk naar het buitenland. Deze zogenaamde 'émigrés' probeerden met niet al te veel succes, maar wel met steun van buitenlandse mogendheden de revolutionairen te bevechten. Het leger van revolutionairen veroverde echter, soms tot vreugde van de veroverden, grote delen van Europa en Napoleon breide dat gebied nog verder uit. Met deze veroveringen breiden zij niet alleen de Franse invloed in Europa verder uit, maar ook de verlichte ideeën en hervormingen die in Frankrijk hoogtij voerden. Zo voerden Napoleon bijvoorbeeld overal de zogenaamde Code Napoléon in, die een eerlijke rechtspraak moest garanderen en ook nu nog de basis vormt van ons rechtssysteem.



